|
Door: Relinde Pekkeriet Gepost op: 19-10-2009 |
Specials |
Jenson Button, een portret van de kampioen
Jenson Button heeft zojuist zijn droom waargemaakt en is voor de eerste keer wereldkampioen in de Formule 1 geworden. Velen zagen hem toch als een one-hit-wonder. Eén overwinning in Hongarije in 2006, een paar podium finishes, maar dat was het dan ook wel, Button had het simpelweg niet. Vandaag heeft Button alle critici de mond gesnoerd. Button is kampioen, Brawn heeft het constructeurskampioenschap gewonnen en het We are the Champions kwam dan ook lichtelijk vals uit Buttons mond over de boordradio.
Jenson Button, op 19 januari 1980 geboren, was als kind lichtelijk hyperactief en op jonge leeftijd al zeer geïnteresseerd in racen. Vader John zag al snel in dat zoonlief serieus geïnteresseerd was en kocht voor hem voor zijn zevende verjaardag een 50CC motor. Natuurlijk moest en zou de motor uitgeprobeerd worden en na een half uur verklaarde Button dat hij zich verveelde. De motor was niet snel genoeg.
In 1987 gingen zijn ouders uit elkaar. Button woonde bij zijn moeder Simone en zag zijn vader John in de weekends. De 50CC motor was helemaal uit en Button verklaarde iets beters te willen; een 80CC motor. Vader John peinsde daar niet over, maar zag wel in dat hij iets moest verzinnen om zoonlief tevreden te houden. Met kerst kreeg de jonge Button een kart cadeau. Die kart moest natuurlijk direct uitgetest worden. Junior scheurde over een parkeerplaats en crashte bijna tegen een geparkeerde auto. Vader John kreeg een hartverzakking en nam Jenson op tweede kerstdag mee naar een voormalig vliegveld. Na twintig minuten rondgereden te hebben verklaarde Jenson er genoeg van te hebben. Het was saai. Nog diezelfde dag reed John zijn zoon naar de kartbaan in Dorset. Jenson keek zijn ogen uit en had het racevirus compleet te pakken. Toen al wist hij dat hij in de Formule 1 wilde rijden en kampioen wilde worden.
Minder dan een jaar later reed Jenson zijn eerste race en wist deze direct te winnen. Trots als een pauw nam hij zijn trofee mee in bed. Het was dan ook een domme vraag toen zijn vader hem vroeg of hij zich serieus bezig wilde houden met racen.
Vanaf dat moment nam zijn carrière serieuze vormen aan. De Button familie had het zeker niet breed, maar alles werd in het werk gesteld om Jenson te laten racen. In 1997 mocht Jenson op voor zijn rijbewijs. De tiener vond dat hij wel kon rijden en na slecht vijf rijlessen deed hij examen. Hij zakte. “Jenson was altijd wat snel. Men wil altijd graag dat je wat afstand bewaard op je voorganger, maar Jenson zat altijd op de bumper,” aldus Roger Brunt, zijn rij instructeur. Na de tweede keer haalde hij het echter wel.
In het jaar nadat hij zijn rijbewijs behaalde, verruilde hij de karts voor een Formule Ford. Het jaar daarop reed hij in de Britse Formule 3. Hij wist het kampioenschap niet te winnen, maar trok wel de aandacht van de Formule 1 teambazen. Button mocht een McLaren testen, omdat hij was verkozen tot BRDC McLaren Autosport Young Driver of the Year. Maar het weer werkte niet mee en Button reed slechts een paar ronden.
Terwijl Button op vakantie was, kreeg hij een telefoontje dat hij voor het team van Alain Prost mocht testen. De Brit onderbrak zijn vakantie direct en vloog naar Barcelona. Trots was hij dat hij sneller was dan Jean Alesi. Een technisch probleem gooide ’s middags roet in het eten en Button moest binnen blijven. Toen Nick Heidfeld anderhalve seconde sneller bleek te zijn, dacht Button: Shit, ik ben helemaal niet snel!” Button had op dat moment echter geen idee dat Heidfeld op nieuwe banden en met een lege auto de baan op was gegaan.
Inmiddels had hij de aandacht getrokken van Sir Frank Williams. Jenson bracht kerstavond door in een kroeg toen zijn telefoon ging. Frank Williams aan de lijn, maar Button dacht in eerste instantie dat een vriend hem in de maling nam. De teambaas vroeg hem of hij klaar was voor de Formule 1, waarop Button in alle eerlijkheid antwoordde dat hij dacht dat hij dat nog niet was, omdat hij slechts eenmaal serieus had getest. Later kon hij zichzelf wel voor zijn kop slaan.
Toch gaf Williams niet op. Button werd uitgenodigd op de fabriek, ontmoette toenmalig BMW baas Gerard Berger en een week later belde Williams wederom naar Button dat ze hem alsnog een test aanboden. Lang streed hij met Bruno Junqueira om het stoeltje naast Ralf Schumacher. In eerste instantie was Williams’ rechterhand, Patrick Head, meer gecharmeerd van Junqueira dan van Button, maar nadat Button enkele ronden had gereden, zag Head ook dat de jonge Brit van een uitstekend kaliber was.
De avond voorafgaand aan de officiële teampresentatie wisten beide coureurs nog van niks. Button moest zich bij Frank Williams melden, waarop allerlei gedachten door zijn hoofd spookten. Was Junqueira al geweest? En als hij al bij Frank Williams was geweest, kreeg hij dan het zitje? Williams kwam echter direct ter zake, toen Button binnenkwam en liet direct weten dat de keuze op hem was gevallen.
“Pa, ik ben een Formule 1 coureur!” riep Jenson toen hij John weer zag. Ze vielen elkaar in de armen en barstten in tranen uit. Kort daarna volgde een telefoontje naar huis. Zijn moeder moest het ook weten, maar ze was niet thuis. Nadat ze elkaar toch nog spraken, verklaarde ze slechts een kwartier weg te zijn geweest van huis, maar tranen met tuiten had gehuild toen ze te horen kreeg dat haar zoon een Williams coureur was. “Het was allemaal behoorlijk emotioneel. Ik denk dat ik niet eerder zo emotioneel ben geweest,” verklaarde Button.
Tien jaar later is de familie Button weer hevig geëmotioneerd. Vader John was, zoals altijd, aanwezig bij de race. Hij droeg zijn roze blouse. Zijn geluksblouse. Die in het begin van het seizoen zoveel geluk bracht. Moeder Simone volgde alles op de voet vanuit huis. Zij kon er niet bij zijn, maar was er in gedachten wel bij en zag op TV hoe haar zoon als vijfde over de streep kwam en het kampioenschap pakte.
Lang leek het er niet op dat Button ooit wereldkampioen zou worden. Als coureur kun je nog zo goed zijn, maar als het materiaal niet goed is, rijd je niet in de voorhoede mee. Na een leerjaar bij Williams moest Button weg. Juan Pablo Montoya was immersgecontracteerd en Button vond onderdak bij Benetton. Dat het geld binnenstroomde, was iets wat Button niet erg vond. Integendeel. Hij paste zijn levensstijl aan, kocht een appartement in Monaco, kocht een Ferrari, kocht een jacht en genoot van de glitter en glamour. Patrick Head vond dat Button zich als een Spice Girl gedroeg en was allerminst gecharmeerd van zijn levensstijl, terwijl resultaten uitbleven. Na een jaar bij Benetton, waarbij de wagen lastig te besturen was, werd het team overgenomen door Renault. De resultaten verbeterden, maar in 2003 verhuisde Button naar BAR.
Bij BAR had hij Jacques Villeneuve als teamgenoot. Villeneuve verklaarde dat Button een nietsnut was, maar kwam snel terug op zijn woorden toen bleek dat die ‘nietsnut’ hem vrij eenvoudig bij kon benen en zelfs sneller bleek te zijn. In 2004 beleefde Button zijn meest succesvolle Formule 1 seizoen. David Richards stond aan het hoofd van het team en Button scoorde een groot aantal podium finishes. De winst bleef echter uit. Inmiddels had hij al zijn speeltjes verkocht. Het was leuk, maar het bracht hem weinig. Zijn appartement in Monaco hield hij aan, maar de boot ging weg en ook de sportwagens gingen weg.
In 2005 wilde Button naar Williams, maar dit kon contractueel niet. Daarop tekende hij een contract om in 2006 naar Williams terug te keren. Maar toen puntje bij paaltje kwam, besloot hij toch bij BAR te blijven. Honda kocht namelijk 45% van het team op en BMW besloot om weg te gaan bij Williams. Hij vond dat hij betere kansen had bij BAR. Het kwam hem duur te staan, want hij moest zijn contract afkopen.
Bovendien bleven de successen uit. Goed, hij won in 2006 een race, maar dat was eigenlijk puur geluk. Een veertiende startpositie betekent normaal gesproken niet direct een overwinning. Maar het weer in Hongarije was niet denderend en een perfecte strategie bracht Button zijn eerste overwinning. Vervolgens ging het van kwaad tot erger. In 2007 waren er nog wat incidentele successen, maar 2008 was een drama jaar. De Honda was niet vooruit te branden en Button was meer achter in het veld te vinden, dan voorin. Bovendien was er inmiddels een nieuw wonderkind opgestaan. Lewis Hamilton werd kampioen in 2008 en Button verdween, zeker voor de Engelse media, compleet naar de achtergrond. Button wie?
Of de Engelsman in 2009 aan de start zou staan, werd plotseling onzeker toen Honda verklaarde zich per direct terug te trekken uit de Formule 1. Uiteindelijk kocht Ross Brawn het team. De meester strateeg nam na zijn vele successen een jaar pauze, keerde in 2008 bij Honda terug en heeft dus sinds 2009 zijn eigen team. Strategisch mogelijk de beste zet die hij ooit heeft gedaan. Want de Brawn ging als een tierelier. Mede dankzij de dubbele diffuser was Button in de eerste zeven races onverslaanbaar. Hij won er maar liefst zes, maar daarna viel hij terug. Andere teams maakten een inhaalslag en Button wist niet meer te domineren.
In de media werd hij al weer neergesabeld. Sarcastisch werd er gevraagd of hij wel wereldkampioen wilde worden, waarop Button een beetje gepikeerd riep: “Nee, ik word liever derde, wat denk je zelf?” Hij had met gemak de koppositie kwijt kunnen raken, ware het niet dat het leek alsof niemand het kampioenschap wilde winnen. Ieder op zijn beurt maakte fouten, McLaren en Ferrari kwamen terug, waardoor Button elke keer enkele punten in moest leveren. Een genadeklap had in Spa uitgedeeld kunnen worden. Button werd door Romain Grosjean van de baan gekegeld en scoorde niet. Uiteindelijk liep de concurrentie slechts twee punten in. In de kwalificaties had Button het lastig, waardoor hij zichzelf in een lastig parket bracht en weinig punten scoorde. Maar omdat de concurrentie punten van elkaar afpakte, bleef Button de leiding behouden.
Ook in Brazilië kende hij een slechte kwalificatie. Met teamgenoot Rubens Barrichello die van pole mocht vertrekken, leek de kans klein dat Button, nota bene tijdens de thuisrace van zijn teamgenoot, kampioen zou worden. Maar de Brit vocht als een leeuw, toonde agressie, verklaarde vooraf al dat hij niet met slechts een paar punten naar huis wilde gaan. Misschien had hij op meer gehoopt, maar de vijfde plaats was genoeg om de titel van Lewis Hamilton af te pakken. Norbert Haug verwoordde het mooi. “Voor het tweede opeenvolgende jaar heeft wagen nummer 22, bestuurd door een Engelsman, met een Mercedes motor aan boord, het kampioenschap in Brazilië naar zich toegetrokken, terwijl beiden op een vijfde positie finishten.”
Natuurlijk zijn de laatste woorden aan de wereldkampioen van 2009. “Het team heeft het uitzonderlijk goed gedaan. Wat ze gepresteerd hebben na de moeilijke winter is fantastisch. Ik geloof niet dat er ooit zo’n seizoen in de Formule 1 is geweest. Het is fantastisch om wereldkampioen te zijn en ik denk persoonlijk dat ik het verdiend heb. Ik ben het beste geweest in zestien races en dat is waar het wereldkampioenschap om draait. Ik ben wereldkampioen en ik ga dat de hele nacht nog zeggen, want ik hoor net dat ze mijn vlucht geannuleerd hebben.”
“Op vrijdag droomde ik dat de kwalificatie rampzalig zou worden en dat gebeurde. Later die nacht droomde ik dat ik wereldkampioen zou worden, dus misschien zijn dromen toch geen bedrog.” Buttons droom, die hij had als klein jochie en die hij twee dagen terug had, is meer dan uitgekomen. Een last is van zijn schouders gevallen, zijn droom verwezenlijkt. Ongetwijfeld gaat het feest tot in de kleine uurtjes door, want Button is kampioen en iedereen mag het weten: “Ik weet eigenlijk niet wat ik verder nog moet zeggen. Ik ben kampioen!” Bron: Jenson Button: My life on the Formula 1 Rollercoaster Foto's: Brawn GP
|
|