|
Door: Frank Hungenaert Gepost op: 28-03-2009 |
Specials |
Low budget-Formule 1 kan boeiend(er) zijn!
Je moet de laatste maanden werkelijk op een andere planeet gewoond hebben om niet te weten dat er een gigantische economische recessie (zeg maar: crisis) woedt. Zowat alle sectoren worden getroffen en allicht is de autosport daar één van. Erger nog: het lijkt erop dat de race-wereld zéér zwaar geraakt is. De budgetten moeten dus naar omlaag. Wordt het nu een saai, voorspelbaar en monotoon Formule 1-seizoen? Dat kan maar het hoeft niet: in de jaren ’70 reden de teams maar met een fractie van de huidige budgetten maar het is simpelweg de mooiste autosport in decennia geworden!
Williams revisited
Ergens zijn de verhoudingen in de huidige autosport ook niet meer normaal: een iet of wat respectabel Formule 1-team stelt al vlug bijna 1000 mensen te werk, reist het hele jaar door met een enorm gevolg de hele wereld rond en spendeert miljoenen en miljoenen en nog eens miljoenen euro’s aan testwerk, research en ontwikkeling. We hebben afgelopen seizoen met plezier gekeken naar de Eurosport-serie waarin je het wel en wee van de Williams-fabriek kon meemaken. Williams! Een team als geen ander dat het nu overigens ook weer niet zo breed meer heeft. Williams startte zijn Formule 1-activiteiten in 1969, nu 40 jaar geleden dus, en over welk budget beschikte hij toen? Véél kan het niet geweest zijn want in 1968 kon al wie het wou een Cosworth-motor kopen voor 7500 Britse ponden. En de Cosworth-motor was de krachtigste en snelste motor van die tijd: in 1968 werden zowat alle Grand Prix gewonnen door een Formule 1-chassis met de Cosworth achterin.
Even terug naar 1968 dus: Frank Williams houdt uitverkoop. Voor een Formule 3-motor vraagt hij 425 pond, en voor zijn transportwagen (een Bedford) vraagt hij 995 pond. Veel geld? Het hangt ervan af wat iemand veel vindt want in hetzelfde nummer van Autosport wordt een Ford Capri getest en die kan je al nieuw kopen voor 890 pond.
In 1969 kocht Williams een Formule 1- Brabham BT 26 voor 3500 pond: een Mercedes-Benz kostte toen 2440 pond. Een paar jaar later, in 1973, schoof diezelfde Frank Williams twee Iso-Marlboro’s op de grid en had voor een heel seizoen 100 000 pond nodig. Topteams (in 1973) als McLaren en Lotus deden het met precies het dubbele. Recent merkte Williams op dat hij met het volledige budget waarmee hij in 1973 twee auto’s aan de start bracht, nu amper een paar versnellingsbakken kan kopen voor zijn huidige modellen … Conclusie: de budgetten in de Formule 1 zijn buiten alle verhouding gegroeid.  Iedereen in de Formule 1
En toch was het in de jaren ’70 niet saai om Formule 1 te kijken. In 1969 zat de Formule 1 nog in een dieptepunt: op de starting grid van de Grote Prijs van Frankrijk stonden welgeteld 13 auto’s. Dertien! Twaalf daarvan reden met dezelfde motor, de intussen bekende Cosworth en nummer 13 was de Ferrari van Chris Amon. Pole-sitter Jackie Stewart liet in Clermont-Ferrand (8 kilometer lang) een tijd van 3’00”6 optekenen, en Denny Hulme, die naast hem op de eerste rij stond, had daar twee volle seconden méér voor nodig. Silvio Moser die in een gehuurd Brabham laatste op de grid stond, had er 14 seconden méér voor nodig gehad. Vier wagens zouden opgeven en dus zouden 8 wagens na 1 uur en 56 minuten de race uitrijden. Toch was het een boeiende race geweest.
Maar die magere deelnemersvelden in de Formule 1 zouden vlug tot het verleden behoren en dat had een simpele reden: al wie dat wou kon een Cosworth-motor kopen en een Hewland-versnellingsbak. Ofwel bouwde je je eigen chassis (dat gebeurde verrassend veel in die jaren) ofwel kocht je er eentje. En hop: je kon racen in de Formule 1. Wie de verre verplaatsingen naar andere continenten te duur vond, bleef gewoon thuis: niemand die daar in die tijd zwaar aan tilde. Een grote vrachtwagen was genoeg en tijdens de Grand Prix-weekends huurden de teams een caravan. De piloten kleedden zich om in de transporter en zaten of lagen voor de rest van de tijd of op de betonnen muurtjes van de pits, of op een stapel banden of in een strandstoeltje. Op de deelnemerslijst van de Grote Prijs van België in 1973, de eerste op het circuit van Zolder, staan wel al 23 auto’s ingeschreven en eigenlijk zou dat aantal almaar blijven stijgen tot men op de duur met een ‘numerus clausus’ zou gaan werken wat betekende dat slechts een 25-tal wagens op de startgrid werden toegelaten.  Spannend
Wat maakte het racen in die tijd dan zo spannend? Eigenlijk alles! Om te beginnen zagen de wagens er stuk voor stuk anders uit: niet dat ze mekaar niet kopieerden maar dat bleef beperkt tot de grote lijnen. De Tyrrell van Jackie Stewart in 1973 en de Lotus van Fittipaldi in datzelfde jaar zagen er compleet anders uit. Vandaag de dag kijk je naar eenheidsworst. Twee: de Formule 1 was rauw in die dagen. Je werd ook niet zomaar Formule 1-piloot: je moest behoorlijk wat seizoenen in de lower Formulae in de benen hebben vooraleer je een Formule 1-monster kon besturen. Er was ook geen corporate image omdat er geen grote bedrijven of fabrikanten meededen: piloten konden zeggen wat ze wilden en deden dat meestal ook. Nog in 1979 ging Alan Jones met zijn Williams FW 07 keihard van de baan: hij kroop uit het wrak, bekeek het, raapte iets op en liep tevoet terug naar de pits. Daar gooide hij een defecte wielmoer naar zijn monteurs, zette zijn helm terug op en kroop in zijn reserve-auto. Zijn enige commentaar was: ‘Let’s get the f* on with this’. Drie: niet alleen piloten en auto’s waren anders, ook de circuits waren dat. Geen Hans Tilke-klonen maar grillige en vaak ook smalle en lange pistes met de Duitse Nürburgring op kop (23 kilometer lang). Die mix van mensen, machines en pistes gaf verschrikkelijk boeiende autosport: op rechte stukken werd geracet met de neus onder de versnellingsbak van wie voor je reed. In de bochten was het driften. Er moest zoveel geschakeld worden dat piloten hun handen helemaal met tape omwikkelden en dan vaak met bloedende blaren uitstapten. Maar er werd GERACET: pitstops bestonden niet, behalve als het niet anders kon. Er werd aan hoog tempo ingehaald en wie won kon maar zelden zeggen dat hij van bij de start aan de leiding had gereden. En natuurlijk was ook de dood nooit ver weg.
In die zin is het geen slechte zaak dat Mosley kostenbesparingen preekt en dat de teams zich door de recessie gedwongen zien, hun budgetten terug te schroeven. Boeiende autosport heeft immers niet zo veel te maken met gesofistikeerde ontwikkelingen maar wel met high speed-duels op de baan. Benieuwd wat 2009 ons op dat vlak zal brengen!
 Foto's: F3history.co.uk / Williams F1
|
|